HOME 1. ROUWMELDING 2. BROODMISSEN 3. DE DOOD 4. OBIIT BORDEN 5. MUSEUM-WETTEREN
...................................................... ......................................................

            In plaats van alle bovenstaande artikels te doorlopen kan ook rechtstreeks op een artikel geklikt worden.

      1. ROUWMELDINGEN.


      ROUWBERICHT - ROUWKAART - ROUWBRIEF - BROODDELING - ORGANISATIE

Door de tijden heen zijn er natuurlijk diverse zeden en gebruiken geweest voor o.a. het begraven van medemensen. Wij zullen niet alle gebruiken nader bekijken, daarvoor hebben wij onze bibliotheken en "tegenwoordig" vooral het internet. Wij willen echter toch wel de aandacht trekken op de gewoonte dat soms de meer gegoeden bij hun overlijden een brooddeling lieten doen aan de armen.
Dit is een gewoonte die wij vooral tegenkomen in en rond het Gentse. Vooral, door de nieuwe industri?le rijken, "de katoen baronnen".
In veel streken kende men dit gebruik niet. En ook in veel heemkundige kringen kent men dit gebruik niet.
Het was tijdens een bezoek aan het documentatiecentrum voor streekgeschiedenis in het Convent Engelbertus te Gent dat ik een gesprek had over rouwbrieven en bidprentjes met Mevr. Christiane Van Winckel (DSMG afd. VWTG). Zij ontfermt zich daar over een enorme verzameling bidprentjes en rouwbrieven. Dit gesprek opende mij een andere, nieuwe kijk op deze documenten. De hierbij gevoegde gefotocopiëerde documenten kon ik er aankopen.
Via ons gesprek over de vele soorten modellen en evenzoveel diverse afmetingen vertelde zij mij over deze vroegere gewoonte, die dus vooral voorkwam bij rijke overleden industri?len en adel. Zij wilden nog een laatste maal de armen bedenken. Dit kon gedaan worden door goederen of broden, na hun dood, te laten uitdelen aan de beoeftigen van hun parochie of gemeente of soms ook nog aan de armen van de plaats waar hun buitenverblijf gelegen was.
Gelovigen hoopten, door aan de armen te schenken, sneller de eeuwige zaligheid te bereiken ?n een betere plaats in de hemel.
Een ongelovige kon hopen zo een betere herinnering na te laten.
Mijn interesse begeesterde ook Mevr. Van Winckel, en zij opende voor mij de vele mogelijkheden van het Centrum.
Naast het ontdekken van verschillende streekgebonden gewoonten bij een overlijden, leerde zij mij om nog veel meer te ontdekken in de rouwbrieven.

      HET KENBAAR MAKEN DAT IEMAND OVERLEDEN IS.

Het spreekt vanzelf dat allereerst de buren en de familie mondeling op de hoogte gebracht werden. Het was in de eerste plaats de buurtschap die deze mare (verkondigen) op zich nam. Voor de armen zou dat lang zo blijven. De rijke(re) konden meer ruchtbaarheid geven, hetzij door het te laten omroepen of later door het te laten drukken op aanplakbrieven. De nog rijkeren en vooral de adel konden dit kenbaar maken door één of meer obiit bord(en) te laten schilderen met hun familiewapen op. Dergelijke borden werden veelal op voorhand geschilderd, alleen de overlijdensdatum moest dan nog toegevoegd worden. Hier komen wij later op terug.
Later ontstonden de doodskaarten (litho's: gedrukt op licht karton met zilver- of gouddruk) die door dragers afgegeven werden. Enkele mooie exemplaren vonden wij in het Liberaal archief die wij door het personeel gescand konden aankopen.

Pierre Clemmen

Chevalier Pierre Clemmen (rouwkaarten lib.archief)

Rosalie Marie Ghislaine Coppens

Coppens Rosalie Marie Ghislaine (rouwkaarten lib.archief)

Marie Caroline Vermeerre

Marie Caroline Vermeerre (rouwkaarten lib.archief)

Marie Catherine Colette De Waele

waele de marie catharine colette (rouwkaarten lib.archief)

      HET KENBAAR MAKEN DAT IEMAND OVERLEDEN IS.

Het spreekt wel voor zich dat dergelijke manier van kenbaar maken alleen aan de rijken voorbehouden was.
Pas later werd overgegaan tot papieren doodsbrieven. Dit was minder duur en stilaan konden meer mensen hiervan gebruik maken.
De meeste mensen daarentegen leefden in grote armoede. Daarom bestond vanaf de 13de eeuw "hulp aan de armen". Deze kerkelijke instellingen heetten H.Geest of Armentafels en werden beheerd door twee Armenmeesters. In sommige kerken kan men achteraan nog een Armenbank aantreffen. Deze verwierf haar fondsen door schenkingen van rijke burgers of boeren. Er ontstonden op die manier diverse bonden (al dan niet aan een heilige toegewijd en geleid door religieuze organisaties) die op deze manier aan armenzorg deden.
Ook, priv?, bij het afsterven van een rijke burger(es) kon aan armenzorg gedaan worden, door bijvoorbeeld het uitdelen van broden of andere giften.
Ook vanuit "niet kerkelijke middens" werd aan armenzorg gedaan.

Chimp Ignace Joseph Martin

Doodsbrief van Ignace Joseph Martin Chimp, luitenant-generaal commandant van de burgerwacht. (+ Gent 20-09-1855- oud 73 jaar, verzaling univ.Gent, FrvB).
Wij lezen: "Les distributions de pains seront faites par les soins de la Société philantropique des anciens frères d'armes de l'Empire. Dit wilde in echter niet zeggen dat het een burgerlijke begraving was.

.
 

Een ander voorbeeld, voor wat de stad Gent betreft, lazen wij in de Nieuwsbrief van het Liberaal Archief over het ontstaan van de v.z.w. "Zonder Naam, niet Zonder Hart". (http://www.liberaalarchief.be/nieuws_klnieuws0705.html)
Citaat:"Op 23 november 1855 kreeg een uitgebreide maaltijd onder vrienden een uitzonderlijk staartje. Getroffen door de armoede waaronder een groot deel van het stadsproletariaat gebukt ging, besloten zij via een kunsttentoonstelling en -veiling een inzamelactie ten voordele van de armen te organiseren, wat een behoorlijk bedrag opleverde. Bij het zoeken naar een goede bestemming voor de opbrengst vonden zij vreemd genoeg geen gehoor bij de bestaande liefdadigheidsverenigingen (allen katholiek geïnspireerd), die de schenking van een groepje liberalen "sans nom" weigerden te aanvaarden. De liberalen namen de handschoen op en stichtten op de vooravond van kerstdag 1855 een eigen liefdadigheidsvereniging die, verwijzend naar de katholieke kritiek, de Zonder Naam niet Zonder Hart werd genoemd. Het eerste bestuur bestond uit leden van de kleine burgerij waaronder Joseph Callebaut, Isidore Van Doosselaere, Jean De Vriendt en Gustaaf Coryn, maar kreeg onmiddellijk steun van een aantal liberale industriëlen, politici en andere leden van de hoge burgerij. Een eerste actie in de barre winter van 1855 stelde hen in de mogelijkheid om winterkledij aan te kopen voor een duizendtal kinderen van de stedelijke bewaarscholen, waarna de inzamelacties direct een hoge vlucht namen en de Zonder Naam op nog geen jaar tijd de onbetwiste coördinator en organisator werd van het liberale liefdadigheidswerk in de stad. " einde citaat.
De straat waarin deze vereniging gesticht werd, bestaat nog. Deze is een zijstraat van de Dampoortstraat en draagt de naam Zondernaamstraat.

Camille Henri Ghislain van Zandvoorde
 

      ROUWKAARTEN - ROUWBRIEVEN MER BROODDELING.

Hierboven: Wij lezen "Des distriburions de pains seront faites par les soins du Bureau de Bienfaisance et des Sans Noms ainci qu'aux pauvres de la ville de Thielt." (bureau de bienfaisance was het bureel voor armenzorg, later Openbare Onderstand) en ook door de liberale vzw "Sans Noms".
Afhankelijk van veranderende gewoonten en de rijkdom van de overledene konden de armen op diverse manieren bedacht en verwittigd worden. Veelal werd een vermelding gedaan op de rouwkaart of rouwbrief. Bij een rechtstreekse melding van 'brooddeling' via de rouwkaart of later rouwbrief, spreekt het vanzelf dat dergelijke rouwbrieven niet in de handen van de 'armen' kwamen. Zij werden gegeven aan familie, vrienden en kennissen van gelijke stand.
Zoals op het platteland de rijkere boeren bezoek kregen van bedelaars, hadden ook de meer begoede burgers in de stad 'hun' armen die regelmatig kwamen bedelen om een aalmoes. Uit dergelijke rouwbrieven werden de bonnetjes geknipt en aan 'hun' bedelaar(s) gegeven, en het kostte niets...

      1 - ROUWKAART MET BROODDELING

Bij de hierbij gevoegde rouwkaart staat de vermelding "Deux Cartes". Blijkbaar werden soms 'kaart(en)' bijgevoegd waarmee dan een brood kon bekomen worden.

Felix Joseph Jean Charles Guislain de Limon

      2 - ROUWBRIEF MET BROODDELING

Bij volgend voorbeeld waren er twee bonnetjes op de brief gedrukt. Een of meer bonnetjes konden dus "van iemand" gekregen worden. Aanwezigheid, bij de misviering en begrafenis was dan niet echt noodzakelijk.

Virginie Marie Albertine Waterloos

Boven: (verzameling DSMG) Rouwbrief van Virginie Marie Albertine Waterloos. Hier zijn de twee gedrukte broodbonnetjes zeer mooi uitgeknipt.


      KERKELIJKE DIENSTEN(1)

Verschueren Leontine

De rouwbrief van Léontine Verschueren is ook zeer interessant, wij lezen o.a.:
"Un premier service solemnel, suivi de l'inhuation dans le caveau de famille, aura lieu en l'église paroissiale d'Overmeire, le Samedi 15 Juin, á 10 1/2 heures."
en ook: "Un second service funébre solemnel, auquel vous êtes prié d'assister, sera célébré en l'église paroissiale de Notre-Dame St-Pierre, le Lundi 17 Juin, á 10 1/2 heures du matin." verder: "Les Messes pour Dames seront dites en la même église de 10 heures á midi." eindigend met: "Une troisième service solemnel sera célébré en l'église paroissiale d'Oombergen, le Mardi 25 Juin, á 10 heures."

en dan zijn er nog drie brooddelingen, namelijk: "Des distributions de pain seront faites aux pauvres de la paroisse de N.D.St-Pierre par les soins de la Société de St-Vincent de Paul, á Gand, et par les bureaux de Bienfaisance á Overmeire et Oombergen. Een uitdeling kon dus gebeuren in de geboorteplaats én in de overlijdensplaats. Of ook omdat men woonde in de stad, maar ook een tweede verblijf had buiten de stad ( villa of kasteel) waar mogelijks ook de familiekelder gelegen was.

      VERVOER

Andere aanduidingen kwamen ook voor, bijvoorbeeld een opmerking dat er rijtuigen of trams konden genomen worden aan het station om deel te nemen aan de begrafenis.
Dit kwam vooral voor bij adelijke families:
Voorbeeld 1: Bij Van Zuylen van Nyevelt Stéphanie Joséphine lezen wij:
"Des voitures se trouvent á la gare de Landegem á l'arrivée des trains de Bruges et de Gand".
Voorbeeld 2: Bij Van Zuylen van Nyevelt Frans Dieudonná Joseph: "
Des Voitures seront á la gare de Bruges, á l'arrivée du train de Bruxelles et Gand á 9 heures".

      KERKELIJKE DIENSTEN (2)

Volgende en ook vorige rouwbrieven zijn, te vinden in onze "DATABANK: VERZAMELING OUDE ROUWBRIEVEN":
Bij Verbrugghen Prosper,op deze rouwbrief lezen wij o.a.: " Né à Hauthem-Saint-Lièvin, le 14 Octobre 1834, et décédé à Melle, le 7 Mars 1904, muni des secours de la Religion. Le service funèbre, (corps présent) auquel vous êtes prié d'assister, sera célébré à en l'église de Baelegem, le jeudi 10 Mars à 10 heures du matin. L'inhumation aura lieu immédiarement après, dans le caveau de famille.
Le corps sera transféré de Melle à Baelegem par le train quittant Gand á 8.25 heures
Une distribution de pain sera faite aux pauvres de Baelegem."
Op andere rouwbrieven treffen wij analoge teksten aan.
Ook dat er verschillende diensten zijn in verschillende kerken op verschillende tijdstippen.

Wat ook regelmatig voorkomt cfr. van Zuylen van Nyevelt Julia: "Les Messes pour Dames seront dites en la même église, à la Chapelle du S. Sacrement, de 10 heures à midi.
L'inhumation aura lieu dans le caveau de la famille à Wezenbeek. Un second Service sera célélbré à Wezenbeek."

Bij Vercruysse Marie Charlotte lezen ook: "Les trentaines seront dites en la même église â 7 1/2 H. du matin.

      TWEETALIGHEID EN ANDERE VOORBEELDEN

Zie ook de afbeeldingen in onze databank van o.a. dr. Emiel Van Winckel. Van hem vonden we twee, taalkundig verschillende rouwbrieven, wat op omgang met zowel Frans als Nederlands sprekenden wijst. Inderdaad, hij was geneesheer en tevens Schepene van de stad Dendermonde. Het is dus logisch dat er rouwbrieven in beide talen gedrukt en verstuurd werden. Wij merken op dat zelfs de voornaam een vertaling niet kon ontlopen en dus werd het enerzijds Emile en anderzijds Emiel. Er worden Vigiliën gezongen de namiddag voordien. Over een brooddeling lezen wij niets. Maar er wordt wel gesproken over drie dertigsten, maandag,dinsdag en woensdag te 9 uur. Ook over een tweede dienst ( in de kapel van St Blasius' Gasthuuis ) en over een derde dienst (in de kerk van de Benedictijnen ). Men vergadert ten Stadhuize van Dendermonde. Bij de rouwbrief van Henri Verbeke is onderaan gesneden met een schaar. Wij mogen dus veronderstellen dat hier één of meerdere broodbonnen afgesneden werden. Ook bij de rouwbrief van Edmond Verhaeghe de Naeyer is een deel afgescheurd. De rouwbrief van Marie Vermeersch laat een afsnijding zien. De rouwbrief van Jean Baptiste Vermeulen laat zeer duidelijk zien dat er twee bonnen uitgeknipt zijn. Bij Louis Philippe Versavel is het onderste gedeelte weggescheurd. Ook bij Elisa Rosalia Verschueren is de onderkant afgescheurd. Een mooi voorbeeld is de rouwbrief van Virginie Marie Albertine Waterloos, waar duidelijk twee bonnen mooi uitgeknipt zijn. Sporen van afscheuren bij Laure Reine Fréderique Emile Giudone Ghislaine van Zuylen van Nyevelt en bij Julia Honorine Marie Jeanne Ghislaine van Zuylen van Nyevelt

      GERAADPLEEGDE LITERATUUR

(s.e.), 'Dood en begrafenis', Ons Heem 53 (1999), nr. 4, p. 208-278. Bost, F. Van, 'De bedelingen bij de uitvaartmis in Oost-Vlaanderen (19de eeuw)'. In: Oost-Vlaamse Zanten 73 (1998), nr. 2, p. 103-123. Hollebosch-Van Reck, Y. en V. Meillander / coordinatie: R. Van de Walle, 'Rendez-vous met Magere Hein. Doods- en rouwgebruiken in de 19de eeuw.' Gent, Museum voor Volkskunde (1986). Pieteraerens, M. en L. Snauwaert, 'Doorleefd mysterie. Sacramenten en volksdevotie in Groot-Nevele'. Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, Dienst 92 / Monumentenzorg en Cultuurpatrimonium (2005). Stroobants, A. en L. P?e, 'Begrafenisgebruiken te Dendermonde. Funerair Erfgoed van de O.-L.-Vrouwekerk'. Dendermonde, Vrienden O.-L.-Vrouwekerk Dendermonde (2000), nr. 233, p. 3-36

      GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN

- Liberaal Archief: scans van litho's
- Documentatiecentrum voor streekgeschiedenis in het convent Engelbertus te Gent: kopie?n van rouwbrieven.

      VOLKSGEBRUIKEN

Men moest de overledene steeds met de voeten vooruit naar buiten uit het sterfhuis dragen, om te vermijden dat hij zijn woning ziet en terug komt om de nabestaanden te ergeren. Bij begravingen werden de lijken steeds geoost, d.w.z. met de blik naar het Oosten. Priesters en geestelijke werden andersom, met het gezicht naar de gelovigen begraven. Hiermee wilde men kenbaar maken dat zij de weg wezen.
De archeologische opgravingen op St Pietersplein in Gent, lieten zien dat de lijken, zowel binnen als buiten de verdwene tweede kerk ( parochie kerk), allemaal perfect geoost waren.
Een middeleeuwse gewoonte was om de vloer van de kerk met stro te bedekken bij de uitvaart van kapitaalkrachtige overledenen. Dit om de voeten van de aanwezigen warm(er) te houden.
Aan het sterfhuis werd stro in de vorm van een kruis gelegd.

...................................................... ......................................................

      2. BROODMIS.


Onderstaand, een interessant artikel van Marcel Schippers. Integrale publicatie zonder veranderingen aan de tekst en met toelating van de heemkring "De Drie Rozen vzw - 's-Gravenwezel - Kerkstraat 11-45, 2970 's-Gravenwezel: voorzitter dhr. Jozef Verckens,
http://www.dedrierozen.be - tijdschift No 17 - 1983

Het was vroeger de gewoonte bij de uitvaart van een welvarend persoon broden uit te delen aan de armen en behoeftigen van het dorp.
Hij of zij die stierf gaf opdracht aan de pastoor van de parochie of naaste familie om dit te doen. Eigenaardig genoeg gebeurde dit niet op de dag van de uitvaart zelf, doch later, op de dertigste en het jaargetijde.
De broodmissen vinden wij terug in vele dorpen van de Antwerpse en Limburgse Kempen - doch ook in de streek tussen Lier en Mechelen.
0ok in de provincie Limburg zou dit gebruik in voege zijn geweest. In een boekje van 1943 over "Geschiedenis van Berbroek", een dorp tussen Diest en Hasselt, lezen wij :
"De extra bedelingen van brood gebeurden op dagen die waren vastgesteld door de eigenaars der grote hoeven."
Op het einde der 18de eeuw ontving de pastoor een brood iedere keer wanneer er voor de armen brood werd gebakken.
Hoe ging men te werk. Men maakte een lijst op van de armen van de gemeente en de plaatselijke bakker kreeg de opdracht een aantal broden te bakken. Deze stonden in de kerk bij de uitgang, netjes verpakt in grote manden. De families van hen die in aanmerking kwamen kregen bericht om de H. Mis bij te wonen, te bidden voor de zielerust van de overledene en bij het buitengaan bekwam men een groot boerebrood, ook wiel genaamd. Op sommige gemeenten rond Lier kreeg men een bon waarop vermeld stond om bij de plaatselijke bakker een of meerdere broden af te halen.
Op andere plaatsen was het de gewoonte bij het doodsbeeldeken een kaart te steken waarop vermeld was :
"Goed voor een brood
van ... kilo
af te halen bij bakker (volgde dan de
naam en adres van de bakker)."
Uit kronieken vernemen wij dat de laatste broodmis te Hoevenen gehouden werd in 1919. Rond de eeuwwisseling werd te Sint Job in 't Goor de laatste broodmis gehouden na het overlijden van Mejuffer de Barones de Caters.
Dorpen in de Kempen waar men destijds broodmissen had zijn : o.m. Brecht, Kalmthout, Zandhoven, Wuustwezel en de streek rond Hoogstraten.
Op te merken valt dat vele van deze broodmissen werden afgeschaft tijdens de oorlog 1914 - 1918 bij gebrek aan meel. De Vlaamse romanschrijfster Virginie Loveling (Nevele 1836 - Gent 1923) vermeld in haar boek "Het hoofd van 't huis" een broodbedeling als volgt :
"Alle bedelaars en bedelaressen van het dorp kwamen de een na de ander nevens en voor het huis staan, aleer ze zich naar de dienst begaven, want er was brood op het lijk."
0ok Hendrik Concience vermeld dit gebruik in zijn roman "De Kerels van Vlaanderen" als volgt :
"De avond voor de begrafenis, in de dodenkamer, vond ik de bloedverwanten, vrouwen en
mannen rond de lijktafel. Een stokoud man nam weitekoekjes, brak ze in tweeën en gaf de
omstanders elk een stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijn aarzeling
bemerkte, deed me de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te nemen aan deze
plechtigheid, die men het dodenmaal noemde."
Het aantal uit te delen broden verschilde van dorp tot dorp. In een kroniek van Laarne bij Gent lezen wij, dat de Heer van Laarne in 1515, ruim 1200 broden had laten verdelen onder zijn parochianen. 0ok in Wallonië is dit broden bakken in voege. In de streek van Waimes bij Malmedy en Aubel bakt men een "Kranz", een speciaal brood, dat men uitsluitend eet bij begrafenissen. Er waren niet alleen broden die men verdeelde.
Zo kennen wij ook de "lijkkoeken" die men uitdeelde aan iedereen, groot en klein, die de mis bijgewoond had. De koster, de dragers van het lijk, de klokkeluiders, de wakers, de grafmakers, in een woord zij die iets te doen gehad hadden met de uitvaart kregen een of meerdere koeken. Te Tongerlo was het de gewoonte dat de pastoor en de onderpastoor een lijkkoek kregen met rozijnen en krenten. De lijkkoeken hadden meestal de vorm van een grote mastel met in het midden een putje en elke koek woog van 100/150 gram of 250/300 gram naargelang de lijkdienst. Ieder dorp bakte de lijkkoek op zijn manier. Te Duffel was er veel kaneel in. Te Rijmenam hadden deze koeken, die men "uitvaartkoeken" noemde de grootte van een mannenhand. Op sommige dorpen gebeurde de uitdeling niet in de kerk, doch in een plaatselijke herberg waar iedereen na de mis een koek bekwam.
In de Vlaamse schilderkunst vinden we een aantal doeken terug, die dit gebruik als onderwerp hebben.
De Antwerpse schilder F. Sibens heeft in 1820 een doek geschilderd met daarop als onderwerp : een broodbedeling aan de armen en behoeftigen en dit ter gelegenheid van de opening van een gasthuis in het begin van de 19de eeuw.
Ook Frans Van Leemputten, een schilder die heel veel Kempische levensgewoonten op doek vastgelegd heeft, liet zich inspireren door een "Broodbedeling in de Kempen". Op dit doek staan een groot aantal vrouwen en kinderen afgebeeld in een smalle dorpsstraat, elk met een groot brood in de arm. In de verte de dorpskerk waar de dienst had plaats gehad.
Ook Achiel Van Sassenbrouck liet zich door deze gebeurtenis inspireren. Zijn schilderij uit 1924 stelt een "Broodbedeling in het Brugse" voor. Groot en klein trekt naar huis, het brood in de armen na de uitdeling.
Men kan aannemen dat in de meeste dorpen dit gebruik verdwenen is. In het heemkundig blad "Biekorf" lazen wij echter, dat op 27 mei 1963 er een broodbedeling was te Houtem-Veurne en dit volgens de wens van de overledene. En wel op de begrafenis zelf.
Gelukkig hebben heemkundigen en plaatselijke geschiedschrijvers een en ander kunnen vastleggen in schriften zodat er nog iets overblijft van de schilderachtige gebruiken en gewoonten die steeds onder ons volk hebben bestaan.
Nu in onze moderne tijden is alles veranderd. 0ok de uitvaarten zijn op een andere vorm gegoten, doch hier en daar vinden wij in kleine dorpen mensen die deze gewoonte in ere wensen te houden.

Marcel SCHIPPERS




...................................................... ......................................................

      3. DE DOOD.

Onderstaand, een interessant artikel van André Verbeeck. Integrale publicatie zonder veranderingen aan de tekst en met toelating van de heemkring "De Drie Rozen vzw - 's-Gravenwezel - Kerkstraat 11-45, 2970 's-Gravenwezel: voorzitter dhr. Jozef Verckens,
http://www.dedrierozen.be - tijdschift No 17 - 1983

De dood, de geheimzinnige, heeft de mens steeds beziggehouden. Het begin van een nieuw leven voor de gelovige of het einde van alles voor hem of haar die niet gelooft.
Toch zal het ons allen bezig houden en met een zekere schroom benaderen. Zeer vele volksgebruiken bestaan er of hebben bestaan omtrent de dood.
De dood werd meestal voorafgegaan door een ziekte en werd het zeer ernstig, dan volgde de berechting. Zijn er gewezen misdienaars onder onze lezers dan zullen ze zich nog wel herinneren hoe dat in zijn werk ging. De argeloze voorbijganger waagde het niet zonder eerbied de priester voorbij te gaan op weg naar de zieke. Men deed hoed of pet af en men knielde tot de priester en misdienaar met lantaarn, bel en het Ons Heer langs waren.
De dorpsgemeenschap wist dat er een dorpsgenoot was berecht. Hoe lang zou het nog duren ? Het huis van de zieke moest open staan, want de priester moest ogenblikkelijk kunnen binnen treden, daarvoor werd er noch geklopt noch gebeld. Hoe er zo'n ziekenkamer uitzag weten we allen van onze Mechelse Catechismus. Een kruisbeeld tussen twee brandende kaarsen, een glas met wijwater, een palmtakje en het geheel op een tafeltje opgesmukt met een witte doek.
Het was burenplicht om behulpzaam te zijn in het huis van de stervende.
Er werd gebeden en gewaakt en gedronken, menige jeneverfles werd leeggemaakt in het bijzijn van een dode of stervende want zelf moest men er de moed in houden.
De dood welke steeds sterk de volksverbeelding heeft aangesproken kende ook zijn voortekens. Viel er in een gezin de klok onverwacht stil, dan was er een dode in de familie. Een hond die huilde 's nachts kondigde eveneens de dood aan.
Begrafenisaannemers waren er vroeger niet, zodus moest de buurtgemeenschap instaan voor het verdere verloop van het overlijden en wat er bij te pas kwam. De dode werd afgelegd, gewassen en geschoren en volgens de streek werd men in zijn beste pak gestoken of in een lijkkleed.
Bij de boeren wist men precies waar het reeds lang gekochte lijkkleed te vinden was in een hoek van de kast.
De toebereidselen in het sterfhuis waren van allerlei aard. In de steden werden de rolluiken neergelaten en een kruis er tegen geplaatst, men wist dan als voorbijganger dat er iemand overleden was. Binnen werden de spiegels afgedekt en de klok stil gelegd. Had men pas geslacht dan moest het vlees toch naar elders verhuizen want het zou bederven met een dode in huis. Zelfs de kanarievogel moest tijdelijk naar een ander onderkomen gebracht worden. In Noord Brabant was het uiterlijke kenteken van een sterfhuis niet het processiekruis maar een omfloerste lantaarn met zwarte strik aan de voorgevel. Een ander gebruik nog hier te lande was het plaatsen van twee bakstenen kruiselings over elkaar met er tussen stro of halm.
In ons museum hebben we een zeer mooi exemplaar van een lijkdoek anno 1848 waarin eertijds een dode werd neergelegd, mooi borduurwerk met initialen erbij wat er op wijst dat onze voorouders zeker steeds op de dood waren voorbereid. Er zijn nog tal van gebruiken omtrent de dood die nu zijn afgezwakt. Het luiden bestaat nog steeds en toen er nog niet algemeen rouwbrieven werden rondgestuurd ging men in de buurt zeggen wie er overleden was. Om de dood aan te kondigen waren er velerlei manieren. Men kent algemeen het overlijdensbericht in de krant om een groot publiek te bereiken. Voor de personen die men op de uitvaart wenst stuurt men een rouwbrief en in het Brugse was het gebruikelijk om een reusachtig aanplakbiljet te plakken op de kerkmuur.
In de Kempen was het algemeen om de buurt te gaan "aanzeggen" en in het Leuvense worden er kaartjes verspreid die zowel rouwbrief als bidprentje kunnen zijn, het is een eigenaardige combinatie van de twee. De later nog te lezen missen worden er eveneens op vermeld.
Hierna volgde de rozenkrans welke nu in de parochiekerk wordt gebeden op de vooravond van de begrafenis.
Vroeger gebeurde dit in het bijzijn van de overledene in het sterfhuis. Uit eigen ervaring weet ik dat het er dan wel eens vrolijk aan toe kon gaan. Men zag elkaar nog eens weer en in verhouding tot de sentimentele binding met de overledene was er ook de stemming bij het weer samen zijn.
Na de rozenkrans deed men zijn rondgang rond de aflijvige en deze werd met wijwater besprenkeld. Vlak voor de begrafenis werd er ook nog een rozenkrans gebeden, gepaard gaande met een eindeloze litanie, ingezet door een buurvrouw of buurman maar nooit door een familielid. De dorpstimmerman was natuurlijk ook nauw betrokken bij een begrafenis, hij was de leverancier van de kist. Eindeloze verhalen doen de ronde over de belevenissen van deze timmerlieden. Ze zijn niet allen even stichtend of vol van sereniteit omtrent een overledene. Het gaat om kisten die te klein waren of niet stevig genoeg of om geuren die werden verspreid zeer ten ongerief van de kistenmaker.
Beziet men oude prenten van een dorpsbegrafenis, dan merkt men op dat indertijd het kruis werd gedragen voor de begrafenisstoet uit. Het was meestal een houten kruis, zwart geschilderd met witte letters. Het diende om achteraf op het graf te plaatsen. Onze betreurde algemeen Voorzitter Dr Jozef Weyns schiep zijn eigen kruis met siermotieven en al. Het is een meesterwerk van zuiver handwerk. De logge grafmonumenten kwamen achteraf meer in zwang zodat menig kerkhof er uitziet als een grijze troosteloze woestijn. De lijkkist wordt steeds met de voeten vooruit overal heen gedragen, van sterfhuis naar de kerk en van de kerk naar het kerkhof. De geest van de dode mag niet weerkeren.
Doet men nu zijn laatste tocht meestal met de auto, in vroeger jaren werd men naar de kerk gedragen door de buren. Ging het om een kindje dan waren het de klasgenootjes.
Bij een adellijke familie werd het rouwblazoen, het "Obiit" voor de stoet uitgedragen en na de dienst opgehangen vooraan in de kerk.
Onze eigen parochiekerk werd aldus getooid met de vele blazoenen of rouwborden van de Familie Gill&egravs de Pélichy en andere families zodat men bijna heel hun stamboom kan aflezen door de verschillende wapenschilden.
Een zeer eerbiedwaardig landelijk gebruik was een uitvaart met de "wijtewage" zoals men zich nog zal herinneren bij de begrafenis van onze grote letterkundige Stijn Streuvels. Niet altijd zwart maar ook wit kan de kleur van de rouw zijn. De witte wijtewagen is dus helemaal niet misplaatst, deze is trouwens ook rouwkleur aan het Nederlandse Hof, het is de kleur van de opstanding. De wijtewagen is aan zeer opmerkelijke gebruiken gebonden. We raadpleegden hieromtrent een werk van de folklorist A. De Cock welke hieromtrent het volgende vertelt : "Er dient een wagen, geen kar, en met twee paarden bespannen, dit alles toebehorend aan een andere boer, liefst een buurman, de voerman zit schrijlings op het handpaard en met een stokje, geen zweep, leidt hij de paarden met zachtheid en stilzwijgen, hij volgt de grote openbare steenwegen en mag onderweg pozen noch pleisteren, tenzij om even de strobusseltjes of kruisjes neer te leggen en daar een vaderons te bidden, wat echter lang geen algemeen gebruik is. Hij keert langs een andere weg terug, blijkbaar met het doel de geest van de aflijvige te misleiden. Op de wijtewagen nemen plaats, twee, drie of vier van de naaste bloedverwanten, doorgaans enkel vrouwen. De buren komen achteraan."
Bekijkt men een oude prent of schilderij van een lijkstoet waarbij geknield wordt gebeden, de paternoster in de hand, dan is dit meestal aan een kruispunt van landelijke wegen.
Dat is weerom vol betekenis juist op dit kruispunt moeten de geesten op een dwaalspoor worden geleid.
Een ergerlijk gebruik was de klasse waarmee men werd begraven, hoe later hoe duurder en hoe dichter bij het altaar. Was men zeer arm, dan kon men bijna buiten blijven.
Bij een mis eerste klas was het al zwart wat de klok sloeg. Het portaal, het altaar, de gewaden en de katafalk omringd door ontelbare brandende kaarsen.
Het was in vroeger jaren wel een indrukwekkend zicht en men voelde de dood haast van zeer dichtbij. Het ultieme afscheid gebeurde op verschillende wijze. Bij het neerlaten van de kist in het graf wierp men een bloem van de soms vele rouwkransen, een schopje aarde of men besprenkelde het graf met wijwater.
Vrouwen gingen niet steeds mee naar de kerk of de begrafenis, het gebruik was verschillend van streek tot streek of van vrouw tot vrouw. Als alles was afgelopen waren de meeste deelnemers aan uitgebreide begrafenissen ontspannen en ging men naar het lijkmaal.
Oude dorpsrekeningen van onze schuttergilden vermelden hoevele "tonnen bier" werden verzet op de uitvaarten van de gildebroeders of gildezusters. Men wordt er waarachtig beschaamd bij. Het werd een echte zuip en zwelgpartij. Het verdriet was ver te zoeken.
In Oost-Vlaanderen spreekt men dan terecht van een begrafenisfeest. Het was dikwijls een enige gelegenheid om elkaar nog eens te ontmoeten en nadien aan de tapkast te gaan hangen.
Een diep ingeworteld gebruik was ook het dragen van rouw. Was men lid van een uitgebreide familie, dan zag men zijn ouders bijna bestendig in de rouw, want dit gebruik werd streng in ere gehouden. Er waren vaste regels hiervoor en het was hoogst onfatsoenlijk hier van af te wijken.
Vrouwen droegen ook veel nog rouwfloers voor het gelaat bij zware rouw en dit gedurende zes weken.
Het langst heeft deze traditie stand gehouden op het platteland en dan nog in landbouwersfamilies.
Een vol jaar en zes weken werd rouw gedragen voor ouders, kinderen, man of vrouw, voor broers en zusters was dit de helft, drie maand voor oom of tante en voor neven of nichten was het nog zes weken. Er was ook nog halve rouw, dan mocht ook grijs worden gedragen. Komt men wel eens in het Zuiden van Europa dan valt het op hoe veel vrouwen er in het zwart zijn gekleed. Het gaat dan meestal om weduwen, hier spreekt men van weduwenrouw hetgeen hier ook wel gebruikelijk was. Nu is het rouwdragen vrijwel beperkt tot de rouwplechtigheid zelf. Nog heel veel gebruiken zijn er geweest rond de dood, ze zijn ieder op zich zelf een hoofdstuk waard. Ze zijn zeer streek en tijdsgebonden, veel is er van verdwenen. Lijkbidders, voorzeggers en buren hebben plaats moeten maken voor de begrafenisaannemer.
Ook hier hebben vervlakking en efficiëntie hun werk gedaan.

André Verbeeck


...................................................... ......................................................

      4. OBIIT BORDEN.

OBIIT BORDEN.

Vooral in oude kerken en katedralen, met een rijke geschiedenis, vinden wij nog deze zwarte ruitvormige borden terug. Zij werden opgehangen aan de muren van de kerk of in de zijkapellen. Deze kapellen behoorden meestal toe aan een rijke gilde of familie. Tevens kan in zo'n kapel het glasraam ook herinneren aan de giften van de familie of gilde. De breedte van zo'n kapel liep wel tot het midden van de kerk, wat dus de oppervlakte aanzienlijk groter maakte en dus bruikbaar voor een groep personen. Spijtig dat na een grote restauratie deze borden dikwijls verdwijnen.
Onder paus Joannes XXIII, kwamen er veel vernieuwingen, helaas ook beleefden wij een nieuwe "beeldenstorm", vooral op obiit borden.
Het gebruik van deze borden beleefde door de eeuwen heen een hele geschiedenis, weliswaar onder een steeds wisselende gedaante. Wij vonden bijvoorbeeld:
Op www.zwin.be/lapscheure.htm een interessant artikel. Met toelating van de schrijver, laten wij het artikel hier volgen.
"Een obiit van 1089 uit de oude kerk van Lapscheure.                    artikel door: Jacques De Groote.
In 1583 werd de streek van Lapscheure in de strijd tussen Noord en Zuid door een dijkdoorbraak van de Zoute Vaart te Brungeers bij Sluis onder water gezet. Zo ontstond het Lapscheurse gat. De gevolgen voor Lapscheure waren fataal. Het volledige dorp kwam in het overstromingsgebied te liggen en zou nooit meer herrijzen. In de zeventiende eeuw ontstond dan stilaan een nieuw dorp, meer naar het westen, en werd er in 1650-1652 een nieuwe, nu nog bestaande kerk gebouwd.
De oude kerk, die was ingestort, werd grotendeels afgebroken en de materialen werden hergebruikt voor de bouw van de nieuwe en de ruïne verdween stilaan onder het aardoppervlak.
In 1989 werd deze ruïne, bij onderhoudswerken aan het nabijgelegen gebouw, eigendom van de heer G. Vynckier uit Gent, blootgelegd en onderzocht.
Eén van de belangrijke vondsten was een loden obiit.
Het is een vierkant plaatje van ca. 7,5 x 7,5 cm en een dikte van 8 á 10 mm. Het weegt ca. 400 gr. Op beide zijden van de plaat is een tekst aangebracht. Op de voorzijde staat AN M LXXXVIIII VOLCRAN' LEVITA ObIIT. Op de achterzijde staat er VI KL (I)AN. Deze latijnse tekst betekent: In het jaar 1089 overleed de leviet Volcranus, op de 6de van de kalenden van januari (27 december 1089).
De plaat werd gevonden bij een graf, centraal gelegen in het koor van de kerk. Het graf dateert uit de tijd van de Romaanse kerk of kapel, toen Lapscheure een hulpkapel was onder Oostkerke. In die tijd werd een obiit in het graf gelegd, onder het hoofd van de overledene.
Dit is de oudst gekende iconografie uit onze streek. Het was dan ook belangrijk dat deze plaat naar Lapscheure terugkwam en wij zijn de heer Vynckier zeer dankbaar dat hij instemde om de plaat in de kerk van Lapscheure te plaatsen.




Het pronkstuk is een loden grafplaatje.
Volcanus was een geestelijke (diaken of priester) van de hulpkapel, die toen afhing van de hoofdkerk in Oostkerke. Naar alle waarschijnlijkheid bevond zich rond de kerk ook de eerste nederzetting.
Luc Devlieger schreef een artikel over de plaat in het eerste nummer van de Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis van Brugge 2003, waarin hij het jaartal als MC LXXXVIIII leest (1189). Op de plaat staat er echter geen C.
zie op: http://www.tzwin.be/lapscheure.htm Jacques De Groote
Vlienderhaag 4
B-8340 Damme
050 501032
jacqdegr@skynet.be " einde citaat

SINT PIETERSPLEIN GENT.
Bij de archeologische opgravingen op het Sint Pietersplein te Gent in 2002 en 2003 werden 1112 graven bloot gelegd en 24 knekelputten gevonden op het vroegere kerkhof van de Sint Pieters parochie die zich daar situeerde. Hier werd een gelijkaardig skelet ontdekt dat met zijn hoofd op een tegel-identificatieplaatje gelegen was waarop zijn naam (Vulferus, sterfdatum 10-02-1013) vermeld stond met de vraag: "laat mij liggen als ge mij tegen komt".
Eigenaardig zo iets te vinden onder het hoofd, dwz als het gevonden wordt dan kan men de persoon niet meer gewoon laten liggen.... Maar men verondersteld nu dat het niet de bedoeling was dat de levenden het zouden lezen, dan wel een waarschuwing voor duivels en hellegeesten, die uit de hel het lichaam konden benaderen. De middeleeuwse en latere obiit borden, opgehangen binnen de kerk (waarvan de overledenen veelal in de kerk begraven werden) waren een manier om kenbaar te maken wie overleden was, en tevens voldoende bemiddeld geweest was om een plaats te krijgen dicht bij het altaar in de kerk of dicht bij de ingang van een kerk.
Er diende ook weinig tekst op te staan, want weinigen konden lezen maar het wapenschild van de hogere families was wel zeer goed gekend.
De aldaar op het Sint Pietersplein zeer mooie kerk met veel goed bewaarden obiit borden is de O.L.Vrouw-Sint-Pieterskerk. De borden hangen niet zo hoog en zijn dus goed zichtbaar.
Naast deze kerk loopt een doodlopende straat (Tweekerkenstraat) en er stond een tweede kerk (parochiekerk O.L.Vrouw) die in 1799 afgebroken werd tijdens de Franse bezetting. Voor deze kerk lag een groot kerkhof. Dit kerkhof werd afgeschaft en men legde het Oefenplein er bovenop als oefenterrein voor de militairen die verbleven in de tot kazerne omgebouwde Sint Pietersabdij. De abdijkerk werd kunstmuseum. In 1848 werd het huidige Sint Pietersplein aangelegd. Een ondergrondse parking sinds 2003 kwam onder het plein na een doorgedreven archeologisch onderzoek van het voormalige kerkhof en de grondvesten van de voormalige kerk en abdijgebouwen.
In 1811 kwam de abdijkerk terug aan de eredienst als parochiekerk met de dubbelnaam "O.L.Vrouw-Sint-Pieterskerk".
Er is weliswaar een grote torenbrand geweest in 1732 doch de kerk werd hersteld en pas 67 jaar later afgebroken. Ook de Sint Pieterskerk had een afbraakvonnis doch de Gentse burger Karel Van Hulthem bepleitte bij de Franse overheid om er een Departementaal Museum van te maken, maar dat is een ander onderwerp.
Onlangs troffen wij een website aan waarin wij een studie vonden van dhr Albert De Graeve over de obiit borden in deze O.L.Vrouw Sint Pieterskerk. Wat goed is moeten wij niet opnieuw schrijven en wij vroegen de toelating aan de schrijver om zijn voorwoord op onze site te mogen plaatsen.
Tevens raden wij aan om deze site eens te bezoeken op: www.artiteq.be/Petrus/obiitStPieters.pdf


Obiit in de O.L. Vrouw-Sint-Pieterskerk                   artikel door: Albert De Graeve.
Bij een cultureel bezoek aan een kerk gaat onze aandacht meestal in eerste instantie uit naar de architectuur, de compositie, de stijl,
Pas in tweede instantie merken we de opsmuk: beelden, schilderijen, meubilair en in laatste instantie zien we ook rondom aanwezig de zwartgeverfde ruitvormige kaders met een wapenschild en het woord "Obiit".
Obiit is een Latijns woord dat gewoon wil zeggen "hij/zij is gestorven, overleden"
Sommigen verklaren het gebruik van Obiits als het gevolg van het verbod tot begraven in de kerken.
Jozef II van Oostenrijk, die hier de plak zwaaide als verlicht despoot, bracht in zijn "Edict van den Keyzer, aengaende de begraeffenissen van den 26 Junii 1784"zijn besluiten uit voor de Habsburgse landen. In dit edict werd het begraven in ’ eene Kerk, Kapelle, Bidplaets of ander bedekt Gebouw,&rsquo t zij in de Steden of daer buyten (art.I) verboden.
Dit edict wordt toegeschreven aan het fenomeen van de rijke stinkerds. Men wilde in de Middeleeuwen in of bij de kerk begraven worden. Arme mensen kregen buiten een plekje op het kerkhof, rijke mensen binnen in de kerk onder de vloer. Omdat de afdichting van de graven niet optimaal was, kwam de geur van het ontbindende lichaam de kerk binnen. Dit was tijdens de kerkdienst of mis te ruiken, en werd dan weggewerkt met wierook. Het is echter niet geheel zeker of dit werkelijk de oorsprong van de uitdrukking &lsquo rijke stinkerd&rsquo is en zeker niet de oorsprong van de rouwborden of Obiits. Wel is het zo dat de meeste rouwborden van na die periode blijken te zijn doch daar zijn andere redenen voor.
De Franse revolutie zag de rouwborden met hun adellijke pretenties als een symbool van de oude, omvergeworpen, standenmaatschappij en verbood in 1798 alle afbeeldingen van wapenschilden omdat deze heraldische ornamenten in strijd waren met de uit Frankrijk overgenomen leus "Liberté, Égalité, Fraternité".
Vele duizenden prachtig geschilderde borden werden op last van de overheid tot brandhout gehakt. Zij getuigden immers van eeuwenoude ongelijkheid waar gelijkheid het politieke programma was.
Door toeval of omdat een plaatselijk bestuur zich inzette voor de rouwborden bleven deze soms bewaard.
Een oud wapenbord uit 1457 gedenkt Philips de Goede die in Brugge overleed.
De oudste rouwborden waren sober uitgevoerd, meer dan naam, wapen en het woord Obiit met een meestal in Romeinse cijfers geschreven jaartal was er niet op te zien.
In de 17e eeuw werd de heraldiek rijker en op 18e-eeuwse rouwborden zien we veel symbolen van de dood, de eeuwigheid en de vergankelijkheid: schedels, vleermuisvleugels, ourobouros (staarteter), knekels, al dan niet gevleugelde zandlopers, zeisen, omgekeerde toortsen en gebroken zuilen illustreren de dood en bieden het oog een welkome afleiding voor het oog tijdens al te lange preken. De dood in al haar verschrikkingen.
Een rouwbord bevat meestal het wapenschild van een prominente overledene en vermeldt meestal de geboorte- en overlijdensdatum. De schilder bleef onbekend en de techniek is meestal olieverf. Er zijn geen grote verschillen tussen de rouwborden van mannelijke en vrouwelijke overledenen aan te wijzen. Vaak, maar niet altijd, gebruikte een vrouw een ruitvormig of ovaal wapenschild (ook (jonk)vrouwenwapen genoemd). Typisch voor een weduwe is het gebruik van een om het schild geknoopte "cordeli"re.
Het afgebeelde ruitvormige rouwbord met het wapen van Mgr. de Kesel laat de overladen rouwborden van de 18e eeuw achter zich en is in de zuivere vormen en kleuren van de 17e eeuw beschilderd. Het afgebeelde bisschopswapen met de kenmerkende groene prelatenhoed met tweemaal zes groene afhangende kwasten is een voorbeeld van kerkelijke heraldiek.

Opbouw van een wapen
Een wapen kan uitsluitend bestaan uit een schild, maar vaak worden rondom het schild zaken toegevoegd, de zogenaamde heraldiën:
    - Het Wapenschild is het belangrijkste deel van het wapen en staat centraal geplaatst. Op het schild vinden we stukken, die in een bepaalde reeks van kleuren zijn neergezet.
    - Een Helm of kroon rust op of overtopt het schild. Als de helm met figuren is beschilderd, noemen wij deze helmfiguren of helmteken. De kroon wordt ook wel rangkroon genoemd en verschilt per rang binnen de adel.
Bij de katholieke geestelijkheid wordt het wapen gedekt door een hoed met kwasten. De kleur van de hoed en het aantal kwasten verschilt naargelang de plaats in de kerkelijke hiërarchie. Ook burgers plaatsen een "burgerlijke" kroon op het wapenschild.
    - Dekkleden zijn ontstaan uit een kleedje dat van achteren over de helm viel ter bescherming tegen de zon.
    - Schildhouders: een schild kan worden gedragen door (fabel)dieren of menselijke figuren. Deze staan aan weerszijden van het schild.
    - Een wapenspreuk of motto.
    - Een of meer helmen kunnen op het wapenschild worden geplaatst. Alleen bij een koning is het vizier van de helm geopend en kijkt het recht voor zich.

Kleuren
    - azuur of lazuur : blauw
    - keel : rood
    - sinopel : groen
    - sabel : zwart

Metalen
    - goud of geel
    - zilver of wit
In de 17e eeuw raakte de heraldiek in verval. Men verloor het doel van het wapenschild, de gemakkelijke herkenning van het wapen, uit het oog en leefde zich uit in fantastische vormen en stukken. Daardoor ontstonden ook wapenschilden die personen en objecten uit de natuur bevatten. Deze worden dan beschreven met de woorden "in hun natuurlijke kleur".
"Gewapend" slaat op het voorzien zijn van klauwen.
"Getongd" als het dier ook een tong heeft.
Bv."Leeuwen als schildhouders gewapend en getongd van keel"

De leeuwen hebben rode klauwen en een rode tong.
Bij het beschrijven van een schild lijkt het alsof links en rechts zijn verwisseld. Dit komt omdat men het schild beschrijft vanuit het gezichtspunt van de schilddrager en niet van de aanschouwer.
Opgesteld omdat ik het zelf wat beter wou leren kennen en tot alle nuttige doeleinden.

Albert De Graeve
maart 2011

Bronnen:
- Teksten van Parochiesecretariaat, Sint-Pietersplein, met beschrijving van de schilden en genummerd van 79 tot en met 135. Ter beschikking gesteld door Mevrouw Julia Debbaut. Beschrijvingen door anonymus. Twee Obiits zijn niet opgenomen in de lijst en werden genummerd als nirep1 en nirep2
- Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium: www.kikirpa.be met tumbnail-afbeelding en verwijzing naar opdrachtgever.
- De Sint-Pietersabdij te Gent, archeologische en kunsthistorische studie, Roger Van Driessche.
- De Sint-Pietersabdij te Gent, dertien eeuwen geschiedenis en cultuur, Marie Christine Lalemant.
- http://www.genealogieonline.nl/
- http://www.geneanet.org/
- http://www.heraldique-blasons-armoiries.com/armoriaux/rietstap.html
- http://www.liberaalarchief.be/schrans-HFD31.pdf
- http://www.olvsintpieters.net/
- http://www.vlaamsekunstcollectie.be/

Met raad en bemoediging van Leon Bierens, Thierry Eeckhout, Harko Vande Loock, Nicole Verschooren
Fotografie: Nele De Graeve

Werkwijze:
- Van elk wapenschild werd een fiche op gesteld met foto.
- De bovenkerk werd rondom ingedeeld in secties, zie bijlage:plan. De secties starten aan de zijdoorgang aan de zuidtraveeën (graftombe van Isabella van Oostenrijk) en eindigen bij de zijuitgang aan de noordtraveeën.
- Naast de foto is een nummerpaar: sectie-repertoriumnummer bv. 15-125
- Op dezelfde tekstlijn, rechts, zijn er eventuele verwijzingen naar andere wapenschilden in de kerk.
- Van elk schild wordt vermeld, indien gekend:
    o Natus, geboortedatum; Obiit, overlijdensdatum; Aet, gestorven op de leeftijd van
    o Soort wapenschild, enkelvormig, alliantieschild, jonkvrouwschild, ..
    o Naam van de familie van de overledene
    o Beschrijving van het schild
    o Identificatie van de overledenen, bloedverwanten
    o Eventueel detail uit schild of bijkomende afbeelding
- Onderaan links klein grondplan en aanduiding waar schild hangt.
Ter herhaling:
Bij het beschrijven van een schild lijkt het alsof links en rechts zijn verwisseld. Dit komt omdat men het schild beschrijft vanuit het gezichtspunt van de schilddrager en niet van de aanschouwer.

Commentaar:
Steeds welkom ter aanvulling en verbetering. Ook punten en komma’s.
Albert De Graeve,
albert.de.graeve@telenet.be,
tf. 0486/867102
maart 2011


...................................................... ......................................................

      5. MUSEUM WETTEREN: OBIIT BORD OP LINNEN.

      HET MUSEUM VAN WETTEREN HEEFT EEN UNIEK OBIIT BORD, GESCHILDERD OP LINNEN,

Ik herinner mij dat ik als klein leergierig jongetje verwonderd keek naar de vele zwarte borden die aan de muren binnen de kerken hingen. Vooral dan in oude "rijke" kerken kwamen ze veelvuldig voor. En iets later ontdekte ik dat sommige van die "tekens" of "tekst en tekens" ook als kleurijke versiering in de glasramen voorkwamen. Dit alles was gewoon aanwezig, maar zonder uitleg.
Die borden, en de overige schilderijen, soms van zeer nederig genielde en heilig uitziende figuren, of van edel gestrenge kerkleiders, of soms van een woeste donderende God in een tweewieler getrokken door briesende paarden waar de vlammen uit hun hoeven schoten. Dat alles begreep ik slechts gedeeltelijk en dus intrigeerde het mij. Mijn vader wist mij te vertellen dat sommigen afkomstig waren van overleden rijke weldoeners van de kerk en dat ze daarom, als dank of (verplicht?) eerbetoon, in de kerk begraven waren. Hun laatste rustplaats was dan namelijk onder een van die grote blauwe stenen in het koor of in het schip van de kerk met ingekapte voor mij toen onbegrijpelijke tekst (latijn). Ik vond vanaf toen de kerken maar angstige gebouwen vol doden, strenge straffen en andere heel nare dingen. Later ontdekte ik ook dat de laatste rustplaats van die "specialen" soms erg afhankelijk was van de welstand van de overledene en wel minder van hun heiligheid. In het koor en hoe dichter bij het altaar hoe duurder de plaats werd. Dus voorbehouden aan belangrijke overledenen of aan zeer rijken.
Pas veel later ben ik dieper ingegaan op deze obiit borden en hun geschiedenis. Ik heb er niet (zo)veel "exact" over gevonden, vandaar dat ik spoedig merkte dat wat de ene schrijver schrijft overgenomen door een andere en "voor waar" de geschiedenis kan ingaan. Deze borden waren verschillend in grootte, maar steeds zwaar en in hout, klaar om eeuwen te trotseren.
Bij verder onderzoek las ik dat er ook linnen kon gebruik worden in plaats van de houten planken om de obiit op te schilderen. Maar een obiit vinden geschilderd op linnen was iets anders. Ook priesters wisten er nergens een hangen, vandaar dat ik zeer sterk begon aan het bestaan ervan te twijfelen. En toch, plots had ik er een gevonden toen ik op een zaterdag namiddag, het Wetterse museum onder het Gemeentehuis bezocht. Een museum, vol met oude geschiedenis en een bijna onuitputtelijke reserve in haar magazijn. Plots stond ik er oog in oog met een erg beschadigd obiit bord ...op linnen geschilderd. Ik moest er eens aan "voelen" of ik niet mis was. Het bijgeroepen bestuurslid en tevens dienstdoende zaalwachter wist mij te vertellen dat het inderdaad echt was en dat het kwam uit de kelder van de hoofdkerk van Wetteren en gered was uit het ... kelderwater. Tevens wist hij mij ook te vertellen dat er besloten was om dit obiit te laten herstellen, en er reeds begonnen was met het leggen van diverse contacten. Pas onlangs kon ik nog eens het museum bezoeken, ik was zeker het obiit bord niet vergeten. En ...het stond mooi opgeknapt, veilig tentoon in de kelder. Hieronder kunt u aan de hand van foto's, genomen door de restaurateur, zien dat het inderdaad tijd was en er reeds enkele scheuren in het bord aanwezig waren. Dit bord geeft het overlijden van: Marie Charlotte Van De Woestyne, voor meer bijzonderheden lees de nota's bij de scan. Tevens wist hij mij te vertellen dat er nog een getypt boekje aanwezig was in de bibliotheek van Wetteren van de hand van wijlen dhr.Joris Clinckspoor. uitgave april 1993 handelend over de obiitborden uit de hoofdkerk van Wetteren. Hoe uniek dit bord op het ogenblik is weet ik niet, doch dit is het enige (op linnen) geschilderd bord dat ik gedurenbde mijn lange zoektocht gevonden heb. Dhr. Clinckspoor heeft alle borden in zijn verhandeling zeer verzorgd nagetekend, maar niets gezegd over het materiaal waaruit dit ene obiit gemaakt was.

Ik vroeg aan voorzitter E. Van der Haegen om het bord te mogen fotograferen met een maximum aan licht, geen probleem en het was de conservator W. De Wolf die mij met alle mogelijkheden geholpen heeft. Ook de sitebuilder L. Bettens wist mij met zijn site te boeien en te helpen met mijn vragen. Dus alle lof voor de Wetterse kring.

      V Ó Ó R RESTAURATIE.

Deze foto's zijn genomen en afkomstig van het atelier waar de herstelling van het Obiit bord gebeurde.
Dit Obiit bord is afkomstig uit de kerk van Wetteren, gelegen op de grote markt. De toestand van het bord was enkele jaren geleden meer dan zorgwekkend. Het had niet alleen jaren doorgebracht in de kelders van de kerk die dan, tot overmaat, nog regelmatig onder water kwamen. Deze sporen waren duidelijk zichtbaae. Zo was de toestand toen het bord in het museum terecht kwam. De sterke houten kader kan inderdaad wel veel verdragen, maar eigenaardig heeft ook het linnen doek waarop geschilderd werd deze behandeling doorstaan. Het is tot heden het enige linnen bord dat ik kon ontdekken. Het was "slechts" een tachtigtal jaren oud toen het ontdekt werd en nu kan het verder in zijn gerestaureerde toestand bewaard worden.
Duidelijk zijn de sporen van verval merkbaar, en ook onhandige diverse herstellingen, vooral aan de achterkant. Er zijn ook een aantal scheuren, zo goed als mogelijk, op het eerste zicht verborgen.
Achterkant, ook deze foto's illustreren het verval, en misplaatste maar goedbedoelde ingrijpende herstellingen met zware nagels en plaatjes. Ook hier bemerken wij nog beter een aantal scheuren in het doek., etc.

      NA RESTAURATIE.

Deze foto's zijn getrokken door CB.
De mooi herstelde en versterkte achterkant wordt kritisch bekeken. De vakkundige uitleg wordt mij gegeven door dhr.De Wolf Walter, (heemkundewetteren@hotmail.be), die geen moeite spaarde om het bord naar buiten te brengen zodat het goed gefotografeerd kon worden in daglicht en mij zeer goed de herstellingen konden aangetoond worden.
Het geheel is mooi hersteld en oogt fris. Aan niets is nog de slechte toestand van voorheen te zien.
Deze detail foto geeft ook een idee van het herstelde obiit bord.



Bouwmeester Jean-Baptiste Pisson (1763-1818) uit Gent ontwierp een nieuw kasteeltje in empirestijl voor Charles Joseph François Vilain XIIII. De bouwmeester voorzag een symmetrisch gebouw met twee uitspringende zijvleugels, doch de eigenaar liet blijkbaar enkel de westelijke vleugel optrekken.
Na zijn dood in 1808, bleef de weduwe van burgemeester Charles Joseph François Vilain XIIII, Marie-Charlotte Van de Woestyne (1762-1827), er met haar zoon Charles-Hippolyte wonen.
Zij liet de oranjerie bouwen en verwierf faam als planten- en bloemenkweekster. Haar uitzonderlijke plantencollectie (555 soorten, waarvan 232 oranjeriesoorten) is na haar overlijden in 1828 openbaar verkocht op het kasteel.
Haar zoon Charles-Hippolyte erft het kasteel niet, maar het komt in handen van de Bazelse tak der Vilain XIIII 's. Burggraaf Alfred Vilain XIIII verkoopt ( in 1857 ) het kasteel aan August Van de Woestyne. Van deze laatste familie kan men sporen volgen tot de 14e eeuw, zelfs mogelijks tot de 12e eeuw (cfr. Wikipedia).>
Hierboven een blad uit de syllabus van de hand van wijlen dhr. Joris Clinckspoor. uitgave april 1993.
Deze syllabus kan ontleend worden in de Gemeentelijke Biblotheek te Wetteren.
Marie Charlotte Van De Woestyne was gehuwd met Charles Joseph François Ghislain burggraaf VILAIN XIIII. Geboren te Gent 22 juni 1759 en overleden te Wetteren op 7 september 1808.
(Meer gegevens over Charles Joseph François Ghislain burggraaf VILAIN XIIII en zijn familie, belangrijk voor de streek van Wetteren, kan men vinden in het Museum van Wetteren).
Familiekaart I gegevens - museum Wetteren, dhr. L. Bettens.
Familiekaart II gegevens - museum Wetteren, dhr. L. Bettens.


Familiekaart III gegevens - museum Wetteren, dhr. L. Bettens.


OBIIT BORDEN: JAN BAPTISTE VAN DE WOESTYNE en CAROLINE FRANÇOISE VAN DER BRUGGEN. (gegevens: Heemkunde Zwalm dhr. J. De Swaef)




EPITAVEN: JAN BAPTISTE VAN DE WOESTYNE en CAROLINE FRANÇOISE VAN DER BRUGGEN. (gegevens: Heemkunde Zwalm dhr. J. De Swaef)




FAMILIEGEGEVENS. (namens Heemkundekring "De Zwalm" Jeroen De Swaef)

Zijn oudste zoon Jean-François van de Woestyne (1736-1764) stierf v&oacutte;r zijn vader op 31 oktober 1764 (obiit in de kerk te Roborst) en liet twee dochtertjes na. De meisjes worden idd. vermeld in een regest van een boedelbeschrijving van gedele uit 1766, met grootvader Jean-Baptiste als deelvoogd, dat naast de bezittingen ook genealogische informatie bevat. Jean-Baptiste, echtgenote Anne Idelphonse Maelcamp en Jean-Fran&ccdil;ois werden allen begraven in het hoogkoor van de Sint-Dionysiuskerk te Roborst (zie transcriptie grafzerk in bijlage).

De Zwarte Doos - Stadsarchief Gent.

- Boedelbeschrijvingen Gedele - 330/269 (1765) - Regest: 330/269 f. 247/ Staat behorend aan Therese Caroline (°r; 17 mei 1762) en Marie Caroline Rosalia vande Woestijne (°r; 9 december 1764), kinderen van Jean François (zoon van Jan Baptiste, die zoon was van Louis Bonaventure en van Isabelle Maelcamp, en van Anne Idelphonse Maelcamp, die dochter was van Etienne en van Marianne Mahues y principe) en van Caroline Françoise vander Bruggen (dochter van Alphonse Ferdinande, die zoon was van vrouw Defacquez, en van Therese Françoise de Crombrugge dela Douve, die dochter was van François en van Julienne Piers), bij het overlijden van hun vader, Jean François vande Woestijne, op 31 oktober 1764. Deelvoogd: Jan Baptiste vande Woestijne, grootvader paterneel. Bezittingen: leen o.a. bestaande uit een kasteel te Borst, een leen te Petegem bij Oudenaarde, een leen te Welden, hofstede met gronden te Sint-Martens-Leerne, een leen te Fiennes, gronden te Borst, hofstede en gronden te Merelbeke, hofsteden met gronden te Ursel, Knesselare en Aalter, een huis (een blekerij) in het Berouw, een huis aan de Vogelenzang (Landboek van de Stadscijnzen f.476 v. en 477 r.), een hofstede met gronden te Ledeberg, buiten de Keizerpoort - 1766 22 oktober

De voornamen van de meisjes zorgden trouwens voor verwarring. Zo meende Adrien Iweins d'Eeckhoutte, latere kasteelheer te Roborst en heemkundige, op basis van een akte van 1782 ( RAG, vol. 27 f°r;2) waarin 'Marie-Thérèse' vernoemd wordt als juffrouw van Borst, Fiennes en Van der Gracht, dat dit een oudere zus van Marie-Charlotte betrof, die volgens de auteur bijgevolg op jonge leeftijd overleed. (Iweins d'Eeckhoutte, A. Rooborst, ses seigneuries, ses seigneurs, Annales du Cercle Archeacute;ologique et Historique d'Audenarde, Oudenaarde, 1923, pp. 20-21.) De gekende genealogieën spreken dit tegen en geven aan dat Marie-Theacute;rèse en Marie-Charlotte te vereenzelvigen zijn als oudste dochter. Verdere gegevens over haar jongere zus ontbreken. De moeder van de minderjarige meisjes en weduwe van jonkheer Jean-François van de Woestyne, Caroline van der Bruggen (1735-1792), trad als voogd op (haar graf en obiit bevinden zich eveneens te Roborst - zie bijlage).

Marie-Charlotte Van de Woestyne (1762-1827), dame van Borst, Fiennes en Van der Gracht, werd geboren te Gent op 17 mei 1762 en overleed te Wetteren op 13 februari 1827. Zij huwde een eerste maal op 3 november 1785 met Emmanuel-Marie-Felix-Hyacinthe, graaf van Lichtervelde (huwelijk bleef kinderloos) en na haar echtscheiding een tweede maal te Rupelmonde (wellicht ca. 1794) met Charles-Joseph-François Vilain XIV (1759-1808), zoon van Jean-Jacques Philippe, burggraaf en Marie Du Bois de Schoondorp. Ze verhuisde bijgevolg naar Wetteren. Het echtpaar had eacute;eacute;n zoon, Charles-Hippolyte Vilain XIV (1796-1873). Adrien Iweins d'Eeckhoutte trof in het kasteel van Roborst een lederen plaat aan, volgens inscriptie - Sculpt. Vilain XIIII 1799. - gegraveerd door Charles-Joseph-François Vilain XIV - met vier aan zijn echtgenote opgedragen verzen (zie scan). d'Eeckhoutte had overigens geen hoge pet op over de kwaliteit van het graveerwerk en verzen.



Het kasteel te Roborst werd vernield in 1792. Marie-Charlotte liet er in 1799 het huidige kasteel bouwen. Ze legde er op 7 mei 1799 de eerste steen met de verstrengelde initialen "H.V.C." en zilveren plaat met inscriptie op de rugzijde. Onder de steen werd een tweede zilveren plaat met inscriptie bevestigd (zie scans).

...

Het kasteel werd gebouwd als paviljoen, zowel in plattegrond als in opstand, geïnspireerd op het lusthuis "La Bagatelle" van Parijs van architect F.J. Bélanger. De rechthoekige eetzaal in de oostvleugel bevat nog een beschilderd plafond met grisailles en W-monogrammen van Van de Woestyne.

           

Na de dood van haar man in 1808 bleef Marie-Charlotte met haar zoon in het kasteel van Gransvelde wonen. Zij liet er de oranjerie bouwen en verwierf faam als planten- en bloemenkweekster. Getuige hiervan is de vermelding in: J.C. Loudon, An encyclopaedia of gardening; comprising the theory and practice of horticulture, floriculture, arboriculture, and landscape-gardening, ( ···), Londen, 1835. Zie bv:
- http://www.tuintertijd.nl/weblog/de-tuinen-van-madame-vilain-quatorze/
- http://www.historicalgardensblog.com/2013/04/21/the-importance-of-looking-beyond/

Haar uitzonderlijke plantencollectie (555 soorten, waarvan 232 oranjeriesoorten) werd na haar dood openbaar verkocht op het kasteel in 1828. Het park bevat vandaag nog een waardevolle Libanon ceder die door haar aangeplant zou zijn. Het kasteel van Roborst, dat dus vooral als lusthuis of buitenverblijf dienst deed, verkocht ze enkele jaren voor haar dood in 1823 aan Thérèse J.E.M.G. Huysman d'Annecroix (akte dd. 4 juli 1823).

Beperkte genealogie:

Marie-Charlotte Van de Woestyne (° Gent, 17 mei 1762 - † 13 februari 1827)
1ste X (3 november 1785) Emmanuel-Marie-Felix-Hyacinthe, graaf van Lichtervelde
2de X (ca. 1794) Charles-Joseph-François Vilain XIV

Ouders:

Jean-François van de Woestyne (° 5 oktober 1736 - † 31 oktober 1764)
X (9 september 1960)
Caroline van der Bruggen (°r; 2 april 1735 - † 1 april 1792)

Grootouders:

Jean-Baptiste van de Woestyne (° Gent, 20 november 1701 - † 25 augustus 1778)
X (2 februari 1732)
Marie-Anne-Idelphonse Maelcamp († 13 november 1745)
&
Alphonse-Ferdinand Van der Bruggen (° Gent, ca. 1668 - † 22 september 1752)
X (1719)
Marie-Thérèse-Françoise de Crombrugghe (° 1700 - † 4 januari 1766)